Ik sta aan de bagageband op de luchthaven van Barcelona, en kijk afwachtend naar de voorbijkomende koffers. Wanneer de koffers op zijn en de naam van de plaats van herkomst verandert, loop ik verbijsterd
naar de balie van de luchtvaartmaatschappij. Mijn rugzak heeft de overstap te Parijs niet met goed gevolg doorstaan, en zal met de middagvlucht nagestuurd worden.
Tijd om daarop te wachten heb ik echter niet; mijn bus naar Andorra zal om drie uur vertrekken vanaf het centrale busstation. De rugzak zal de volgende morgen wel per taxi nagestuurd worden, wordt mij beloofd. Ik neem de trein naar het centrum van Barcelona en ben net op tijd voor het vertrek van mijn bus. Slechts twee maal per dag vertrekt er een bus voor de vier uur durende rit naar Andorra; de eerste was reeds om zeven uur 's morgens weggereden.
We rijden langs het indrukwekkende Montserrat, waar ik zestien jaar geleden reeds een bezoek aan had gebracht. De gladde loodrechte rotsen steken boven het landschap uit en ik vang nog een glimp op van het hooggelegen klooster. Maar de rit gaat dit keer verder en de Pyreneeën komen al in zicht. De bergen worden hoger en we rijden door diepe kloven met steile bergwanden aan beide zijden van de weg. De rivier de Gran Valira wordt hier op vele plaatsen door waterkrachtcentrales in onnatuurlijke banen geleid. Hoog op de bergen ligt wat sneeuw. De blauwe lucht verdwijnt en maakt plaats voor een dicht wolkendek. Dan begint het ook nog te regenen.
De grens van Andorra is goed vergrendeld. Van Europa zijn we vandaag de dag gewend dat de grenzen niet of nauwelijks zichtbaar zijn; dit soevereine staatje denkt daar echter anders over, getuige de drie grensposten die we passeren. Hier worden de belastingvrij gekochte spullen – opgeslagen in de volle kofferbak van de vertrekkende automobilist – gecontroleerd, en worden onfortuinlijke smokkelaars in de kraag gevat. Smokkel zorgde weliswaar ooit voor welvaart in het land, maar tabaksmokkelaars worden nu scherp in de gaten gehouden, met als gevolg dat men zo nu en dan kan rekenen op een lang oponthoud aan de grens.
Het is meteen duidelijk: de commercie floreert in Andorra en vooral de enorme reclameborden voor sigarettenmerken maken het uitzicht vanuit de bus ineens bijzonder onaantrekkelijk. Tot aan het drukke plaatsje Sant Julia de Loria is het een aaneenschakeling van lelijke benzinestations, warenhuizen, supermarkten en reclameborden. In het hoogseizoen schijnen de auto's hier nauwelijks vooruit te komen vanwege de files; ik kan me dat goed voorstellen nu ik eenmaal over de hoofdader van Andorra rijd. Door het raam van de bus zoek ik tevergeefs naar Romaanse kerken en huizen, naar iets dat duidt op een verleden. Maar al dat ik zie zijn supermarkten, auto's en winkelende dagjestoeristen. Het is bijna Pasen, de stroom toeristen zal spoedig toenemen.
Andorra heeft slechts één hoofdweg die het Franse l'Hospitalet in het oosten en het Spaanse Seu d'Urgell in het zuiden met elkaar verbindt. De meeste bezoekers komen het land
binnen vanaf de Franse zijde, daarbij de hoogst gelegen pas – Port d'Envalira – in de Pyreneeën passerend op een hoogte van 2407 meter. Pas met de aanleg van deze route kwam dit ruige berglandschap uit zijn eeuwenlange isolement. In 1950 werd bovendien besloten geen belastingen meer te heffen, waardoor het land zich kon ontwikkelen tot koopparadijs met enorme aantrekkingskracht.
De reclame voor sigarettenmerken is opvallend; rokende avonturiers begeleiden je op de reis door Andorra. Het is vooral opvallend dat het slechts buitenlandse merken zijn die de aandacht proberen te trekken. Andorra zelf teelt namelijk enorme hoeveelheden tabak en in menig zijdal is wel een tabaksplantage te vinden. Echter met het ondertekenen van een contract met de buitenlandse importeurs is een nogal vreemde situatie ontstaan: zoveel tabak als er ingevoerd en afgezet mag worden op de markt van Andorra, zal er moeten worden opgekocht aan Andorraanse tabak voor verkoop in het buitenland. Maar de Andorraanse tabak is helaas zo slecht van kwaliteit dat deze grotendeels wordt doorgedraaid.
Om zeven uur 's avonds arriveert de bus in Andorra la Vella ('Andorra de Oude') en bij de afgesproken ontmoetingsplaats – het toeristenbureau – ga ik op zoek naar mijn reisgenoot voor de komende dagen. Hij was Andorra binnengereisd vanuit Frankrijk. We vinden een gezellige kamer in een goedkoop hotelletje midden in het oude stadscentrum van Andorra la Vella. Ik bel nog even met de luchtvaartmaatschappij om mijn verblijfadres door te geven en we lopen wat door de stad. Het sneeuwt een beetje. Winkels, winkels en nog eens winkels, en allen zijn zij op dit late tijdstip nog gewoon open. Ondanks dat we hebben besloten niks te kopen, slaat de verleiding toe en kunnen wij onszelf maar nauwelijks beheersen.
Mijn rugzak zou de volgende m
orgen om tien uur worden afgeleverd. Tot die tijd slenteren we wat door het mooie oude centrum van de stad, de 'Barri Antic'. Nauwe straatjes met kleine kruideniertjes, een oud kerkje, fonteintjes, bloembakken en gezellige hotelletjes.
In het op meer dan duizend meter hoogte gelegen Andorra la Vella wonen ongeveer 17.000 mensen, maar wellicht wordt dit aantal dagelijks vele malen vermenigvuldigd door de bezoekers. Het is een langgerekt stadje dat ontstaan is door samenvoeging van drie dorpen. Het pronkstuk van de stad is het 16e-eeuwse Casa de la Vall. Voor het gebouw staat een beeld van een dansend paar. In het Casa de la Vall zetelen de gemeenteraad en het gerechtshof. Ook de parlements-zittingen worden er gehouden. Ik lees in mijn reisgids dat het openen van de poort nog steeds gebeurt met de veertig centimeter lange en meer dan een kilo zware sleutel. En dat de kluis waarin de staatsarchieven zich bevinden met maar liefst zeven sleutels moet worden geopend; elk van de zeven parochies in het democratische Andorra beschikt over zijn eigen sleutel!
Het is koud. Soms sneeuwt het wat, dan schijnt de zon weer. We keren terug naar het hotel, maar mijn rugzak is nog niet aangekomen. We doen alvast boodschappen voor onze voorgenomen wandeling in de bergen en pas om twee uur arriveert de taxi met mijn rugzak. De taxi had vanwege de enorme instroom van toeristen in een lange file gestaan aan de grens met Spanje.
Eindelijk gaan we de bergen in, ondanks dat het kouder wordende weer me een beetje tegen gaat staan. Ik heb het al koud voor ik ook maar ergens aan ga beginnen. En die sneeuwvlokken zitten me ook niet zo lekker; ik heb immers niet echt de juiste kleding bij me voor erg koude omstandigheden. Het toeristenbureau in de stad had ons de wandeling al afgeraden. Ze hadden ons zelfs gezegd dat de paden gewoonweg gesloten waren wegens een teveel aan sneeuw, lawinegevaar en andere barre omstandigheden, en dat ook het door ons gekozen pad volstrekt ontoegankelijk zou zijn. Ik word een beetje angstig, maar mijn reisgenoot loopt over van zelfvertrouwen en goede moed. Ons zal niks gebeuren...
We nemen de bus en rijden in noordoostelijke richting. Na een half uur rijden stappen we uit, even voor het kleine dorpje Soldeu, bij de afslag naar het dal van de Vall d'Incles. We zijn nu reeds op een hoogte van ongeveer 1750 meter, en het wordt alsmaar kouder. Om ons heen ligt overal sneeuw.
De eerste vier kilometer gaan over de weg door het dal. Het valt ons een beetje tegen dat we nog steeds over een weg – in plaats van een ruig bergpad – moeten lopen, en dat we nog steeds auto's voorbij zien komen. Het weer

is grauw, en het landschap kleurloos. Een kleurenfoto van ons panorama zou er zeker uit gaan zien als een zwart-wit foto.
We passeren wat lieflijke huizen, gemaakt van bruin steen met houten deuren, luiken en balkons. Een piepklein Romaans kerkje dat er eenzaam en verlaten bij staat, aan de voet van de berg. Ook dit kerkje is gebouwd van grote bruine stenen. Het is vreemd, ook de huizen lijken verlaten. Tenminste, wij bespeuren geen enkel teken van bewoning. De huizen zien er somber en koud uit en alle luiken zijn gesloten. Na ongeveer drie kilometer begint links van de weg het pad dat de rivier de Manegor volgt naar zijn oorsprong, maar wij gaan rechtsaf om de loop van de rivier de Juclar te volgen – deze riviertjes vormen overigens samen weer de rivier d'Incles die zijn loop heeft in het gelijknamige dal. Ook de weg buigt met ons mee naar rechts.
Wanneer wij op een hoogte van 1927 meter aankomen begint dan eindelijk het bergpad. Om ons heen worden de lagen sneeuw steeds dikker, maar het pad is nog sneeuwvrij. Het is erg koud en het sneeuwt af en toe. De voor ons liggende bergtoppen zijn bijna geheel gehuld in wolken. Witte wolken, witte sneeuw, een bergpad van keien, donkergroene dennen, grote bruine rotsblokken die van de berg lijken te zijn gerold. Aan de linkerzijde het kleine kronkelende riviertje, de Juclar.
We lopen over een bruggetje, gemaakt van alweer die grote bruine stenen; een boog over het water. Na het maken van enkele foto's van onszelf op dit onweerstaanbare bruggetje, met de vallei van de Incles beneden ons op de achtergrond, vervolgen wij onze wandeling naar boven. We kijken vaak achterom, het dal ligt diep beneden ons. Het uitzicht is erg mooi, en we kunnen goed zien hoe we precies zijn gelopen.
Het pad verdwijnt en al dat overblijft is een aantal vage voetstappen, waarschijnlijk die van voorgegane wandelaars. De sneeuw wordt dieper, mijn bergschoenen zijn niet waterdicht en de sneeuw verzamelt zich tussen mijn broekspijpen en mijn schoenen, en smelt. Binnen korte tijd zijn mijn voeten kleddernat, en door en door koud. Soms zak ik in een gat, en verdwijnt mijn hele been tot aan mijn heup in de sneeuw. Eruit klauteren maar weer. Het elastiek van mijn regenbroek dat ik onder mijn schoenen moet zien te houden, schiet steeds los, en dus is de lol van mijn regenbroek er ook snel af. Met elke diepe stap in de sneeuw, schuift mijn broekspijp mee omhoog.
Kunnen we hier onze tent niet opzetten? hoor ik mezelf vragen. Wat hier? hoor ik mezelf denken, in deze sneeuw? Er is bovendien geen horizontaal stukje sneeuw te bekennen. Mijn reisgenoot, die hier ook pas voor het eerst wandelt, belooft mij echter dat daarboven alles beter zal zijn. Hogerop, daar zal er wel een geschikt plekje te vinden zijn. Ja ja, met nog meer sneeuw, en nog meer kou... Denk ik.
Ik heb het koud, ik
ben kleddernat, ik ben moe, ik begin te jammeren en te zeuren. Nu moeten we toch echt die beloofde tent gaan opzetten hoor! Kan me niet schelen waar, of hoe, als het maar gebeurt! Mijn goede humeur is op, ik kan om niets of niemand meer lachen.
Dan staat daar plotseling een besneeuwde muur, met daarachter als een fata morgana het hooggelegen meer: de Estanys de Juclar. Een meer zonder water, want al dat ik zie is een witte sneeuwvlakte die zich voor ons uitstrekt. Wit, niet te onderscheiden van het overige wit om ons heen. Maar het is en blijft een meer. Dat zie ik niet, maar dat weet ik.
Maar er wacht ons nog een andere verrassing. Mijn reisgenoot loopt wat rond om een geschikte plek te vinden waar we de tent op kunnen zetten. Onzin, vind ik, want alles om ons heen is even wit en allemaal even onhandig en onbruikbaar. Zolang we maar niet in de fout gaan door een plaatsje te zoeken op het aantrekkelijk ogende horizontale oppervlak van het meer, vind ik alles best.
Nog wat namokkend sta ik te wachten aan de rand van het meer. Mijn reisgenoot komt op me af gelopen. "Kom, we gaan lekker bij de openhaard zitten!", roept hij van een afstand. Leuke grap, maar mijn humeur heeft me al lang geleden in de steek gelaten. "Nee, echt ik meen het", zegt hij. Wat? Hoe? Nee?! Is het echt?
Nog enkele meters hoopvol ploeteren door de sneeuw en dan, het is bijna niet te geloven, ligt daar zomaar een berghut. Rook komt uit de schoorsteen. Deze berghut is voor mij als een oase in de woestijn. Bijna de helft van de hut is verdwenen onder de sneeuw, maar een veiligere haven dan deze kan ik me op dit moment niet indenken. Vreemd dat in onze wandelbeschrijving met geen woord over deze berghut gerept wordt. De zon gaat al bijna onder. Wij zijn aangekomen op een hoogte van 2294 meter.
Het haardvuur is reeds aangemaakt, jawel, door een Spaans stel. Het waren hun vage ondergesneeuwde voetstappen die wij volgden. Zij kennen het gebied goed, hadden de wandeling vaker gemaakt in de zomer. Dit keer, vanwege de kou en de sneeuw, in ski-kleding, snowboots, en met een soort van 'sneeuw-tennisrackets' onder hun schoenen om niet weg te zakken in de sneeuw. Ski-broeken, ski-jassen, ski-brillen, ski-mutsen, ski-handschoenen en allerhande ski-attributen. Ik beloof mezelf nooit meer zo naïef en onvoorbereid een berg op te gaan...
Ik doe droge kleren aan en ga verkleumd zo dicht mogelijk bij het vuur zitten. De damp stijgt op uit onze natte kleding en schoenen. We koken snel een simpele macaroni maaltijd, kletsen wat met het Spaanse stel dat uit Barcelona komt, en gaan dan slapen. Er staan ongeveer twintig ij
zeren stapelbedden, waarvan vijf met matras. De matrassen zijn echter zo ontzettend vies dat ik besluit zonder te slapen.
Ik schaam me dat ik zelfs 's nachts de tijd vind om nog door te zeuren... maar daar heb ik dan ook zo mijn redenen voor. Het wordt kouder, alsmaar kouder. Het vuur staat de hele nacht aan en zorgt in plaats van warmte te geven voor een vreselijke rookontwikkeling in de hut, mijn keel wordt droog en doet zeer, en ik krijg het ontzettend benauwd.
De wind giert met enorme kracht om de hut heen en waait door de openstaande ramen naar binnen. Het gaat sneeuwen, het gaat stormen. Een sneeuwstorm! De wc is de buitenlucht, de wc is overal om ons heen waar het stormt... Ik heb het ontzettend koud, kan niet slapen, en moet daardoor menigmaal deze enorm gewaagde onderneming doorstaan: de gang naar de wc! Zo kom ik reeds dan tot de ontdekking dat er elk uur ongeveer tien centimeter sneeuw bij valt. De sneeuw valt op mijn hoofd, waait in mijn gezicht, blijft plakken aan mijn huid, haar en kleren. Na elk toilet kom ik bepakt met een dikke laag sneeuw de hut weer binnen.
De sneeuw waait door alle kieren en gaten naar binnen, door de ramen en onder de deur door. Zo fijn als Sahara zand. De hele vloer ligt onder een tapijt van sneeuw. En het slapen op een ijzeren bed in deze kou gaat ook niet zoals ik dat zou willen. Ik pak het vieze matras erbij en besluit niet te denken aan krioelend ongedierte. Een stuk comfortabeler, en een stuk warmer ook. Had ik dat maar eerder bedacht. Mijn warme donzen slaapzak heeft een goede ondergrond nodig, zoveel is me nu wel duidelijk. Hoe kan het nou dat de rest gewoon vredig ligt te slapen? Of doen ze maar alsof? Hebben ze dan geen last van de kou? Eindelijk val ook ik in slaap.
En word wakker... met enorm hoge koorts. Ook dat nog! Laat mij maar liggen! Ik heb geen kracht meer, ik duizel al wanneer ik me omdraai in mijn ijzeren ledikant. Terwijl ik nog wat lig te doezelen en ik het nu al helemaal niet meer zie zitten, wordt er besloten met z'n vieren naar beneden te lopen. Er is inderdaad een enorme hoeveelheid sneeuw gevallen en de behulpzame voetafdrukken zijn verdwenen. Maar we hebben geluk, de zon schijnt! Wel kondigen de donkere wolken in de verte de volgende sneeuwbui alweer aan.
Te vroeg gejuicht, onze natte bergschoenen zijn helemaal bevroren! Er is geen beweging in te krijgen. Met twee ijsklompen om mijn
voeten heen gaan we op pad. Ik krijg een veel te grote donkere zonnebril op mijn neus gezet, die steeds van mijn gezicht dreigt te zakken. Ik heb een knallende hoofdpijn, ben mijn stem verloren en voel dat de koorts ongewoon hoog is.
Ik probeer mijn eigen rugzak te dragen, maar wanneer ik enkele malen met een been in de sneeuw zak en vervolgens ter plekke in slaap val, lijkt het mijn reisgenoot beter dat hij met twee rugzakken gaat lopen. Ik ben uitgeput en verzoek om een rustpauze na elke zoveel meter lopen. Dan val ik met mijn hoofd op mijn knieën onmiddellijk in een diepe, diepe slaap.
Aan de voet van de berg staat de auto van de Spanjaarden, zij brengen ons terug naar de stad. We melden ons weer bij het hotel en ik slaap... Voor mij is het Andorraanse avontuur afgelopen, ik heb veertig graden koorts, en de resterende twee dagen in Andorra breng ik slapend door in bed.
Van de vermoedelijk mooiste Romaanse kerk van Andorra, de Sant Miquel d'Engolasters, koop ik op de laatste dag maar een ansichtkaart om er toch wat van gezien te hebben, al is het maar van een plaatje. Ik lees in mijn reisgids dat de fresco's uit deze kerk helaas zijn overgebracht naar een museum in Barcelona, en dat vooral de toren van dit 11e-eeuwse kerkje indrukwekkend is… Ik had het graag met eigen ogen willen zien.
Bij thuiskomst in Nederland blijkt dat vlak na mijn vertrek waarschuwingen waren gegeven voor een verblijf in de Pyreneeën tijdens het Paasweekend. Stormen waren op komst, het zou buitengewoon koud gaan worden, en het lawinegevaar was zeer groot... Ik was blij dit te horen, al was het alleen al om mijn gezeur en geklaag tijdens de afgelopen dagen te kunnen rechtvaardigen.
© 2002 Monique van Gaal
Eerder gepubliceerd in Backpackers, najaar 2002.